|
‘Het lijkt alsof deze Biennale wat minder is gefixeerd op starchitects en op iconen. Dat is misschien een gunstig gevolg van de economische crisis. Dat is wat ik hoop: dat de manier waarop architectuur en architecten worden beschouwd, weer tot normale proporties worden teruggebracht. Er werden te veel waanzinnige gebouwen neergezet.’
Rem Koolhaas (65) lijkt soms een wandelende paradox. Hij is een van de beroemdste architecten, zo niet de beroemdste, van deze tijd. Zijn gebouwen zijn iconen geworden. Zaterdag kreeg hij de Gouden Leeuw voor zijn oeuvre, tijdens de Internationale Architectuur Biennale in Venetie. Op het terras waar hij zit, wordt hij gefotografeerd, er wordt om zijn handtekening gevraagd.
Maar het begrip starchitect vindt hij vreselijk, en zijn ontwerpen zijn meer een uitwerking van diepgaande research, dan van vormexperimenten. Is het niet ironisch dat juist hij als een van de sterren van de moderne architectuur wordt gezien? ‘Ik leef ermee, ik ben een praktisch iemand. Ik kan er zeker niet over klagen. Dit is een excursie in een andere wereld, op ons hoofdkwartier is iedereen immuun voor beroemdheid. En het is relatief. In het Midden-Oosten, waar ik ook vaak kom, kent niemand mij.’ Koolhaas en zijn bureau OMA lijken alom aanwezig tijdens de Biennale. Het ontwerp voor een culturele wijk in Hongkong is er te zien, in het Deense paviljoen wordt een OMA-ontwerp gepresenteerd, en ook de plannen voor de verbouwing van de door Benetton gekochte Fondaco dei Tedeschi (nu nog het hoofdpostkantoor) tot winkel- en cultureel centrum zijn geopenbaard. Vooral de expositie ‘Preservation’ in het hart van het hoofdgebouw in de Giardini wordt druk besproken. Het is een typische OMA-presentatie: aan de hand van in sterke beelden gevatte cijfers en statistieken wordt geanalyseerd wat de gevolgen zijn van de toenemende drang tot behoud van historische architectuur en (stads-)landschappen. In prikkelende oneliners, zoals ‘Moet China Venetie redden’, wordt gewezen op de veranderende verhoudingen in de wereld. ‘Preservation’ toont aan dat de periode tussen bouw en het verlenen van een monumentale status steeds korter wordt. De ironie wil dat een van Koolhaas’ eigen ontwerpen, de villa in Bordeaux, al drie jaar na opening tot monument werd uitgeroepen. Wijzigingen in het ontwerp mogen alleen worden aangebracht in overleg met de bewoner. Maar die is inmiddels overleden. ‘Er is een obsessie met behoud, en de gevolgen daarvan zijn groot’, zegt Koolhaas. ‘We gaan een wereld tegemoet waarvan een deel in een voortdurende staat van verandering verkeert, en een ander deel, inmiddels al 12 procent van het aardoppervlak, volledig wordt stilgezet. Chronocaos hebben wij die ontwikkeling gedoopt.’ De gevolgen van de behoudzucht zijn soms pervers, vindt Koolhaas. ‘Neem de turbinehal van Tate Modern. Daar wordt de kunst geforceerd om aan de eisen van de ruimte te voldoen. Zo leidt behoud tot retorische overkill: je moet aan de eisen van de ruimte voldoen.’ Het is een ontwikkeling die zich volgens hem ook voltrok bij andere musea: Het MoMA, het Louvre, het Guggenheim, allemaal groeiden ze, mede dankzij de economische boom van de jaren negentig en het begin van de 21ste eeuw. ‘Maar meer ruimte leidt soms ook tot meer holheid.’
Koolhaas zegt ook niet te begrijpen waarom Amsterdam zo zijn best heeft gedaan om de grachtengordel benoemd te krijgen tot Werelderfgoed. Op ‘Preservation’ is te zien dat zo’n benoeming steevast tot meer toerisme leidt. ‘Maar Amsterdam heeft al genoeg toeristen, en zat regels om het erfgoed te beschermen. En zo’n besluit valt zonder enige democratische controle. Dit is een radicale ingreep die is geschied zonder enige werkelijke inspraak. De benoeming zal wel degelijk gevolgen hebben voor hoe Amsterdam functioneert. Vaak zie je dat Werelderfgoed zijn meer toerisme betekent, waardoor het erfgoed wordt aangetast.’ Op de tentoonstelling hangt een manifest dat sprekend lijkt op dat van Unesco, maar met iets andere formuleringen. Heeft Unesco criteria opgesteld voor het behoud van zaken van ‘buitengewone universele waarde’, OMA komt met voorwaarden voor het beschermen van ‘onbetekende universele troep’. Het is een oproep om meer na te denken over de gevolgen van behoud, en over wat eigenlijk het behouden waard is. Koolhaas: ‘We bewaren nu het alleen het bijzondere, het historische, maar je zou ook dat wat normaal, lelijk, banaal of politiek is moeten behouden. Het Palast der Republik in Berlijn is afgebroken, want het was een symbool van het DDR-regime. Maar stel je voor dat dat ook met Romeinse gebouwen zou zijn gebeurd, dan hadden we nu niks meer van die tijd.’ Unesco-functionarissen hebben de presentatie al gezien, en konden er wel om lachen, zegt Koolhaas. ‘Ze staan open voor kritiek, heb ik gemerkt.’ Het is, zegt hij, voor hem soms eigenlijk het mooist om geen nieuw gebouw neer te zetten, en zo weinig mogelijk te doen aan een bestaand gebouw. ‘We zijn gevraagd om in Damascus een nieuw ontwerp neer te zetten. Maar toen ik daar verbleef, ontdekte ik een jaren geleden onvoltooid gelaten gebouw. Ik heb voorgesteld om dat af te maken. Laten we de stad niet opzadelen met een nieuw ontwerp.’
Koolhaas’ analyse van de positie van de Westerse architect is niet vrolijk stemmend. Hij is onderdeel geworden van de vrijemarkteconomie, bouwt niet meer voor de gemeenschap, maar voor private partijen, hij is beroemd, maar wordt minder serieus genomen dan voorheen. Bovendien komt de belangrijkste nieuwe architectuur uit het Oosten, en wordt er gewerkt voor en in half- of niet-democratische staten. ‘De rol van de architect is fundamenteel veranderd, en daarom is er een nieuwe visie nodig op het vak en de opleiding van de architect.’ Die gaat Koolhaas onder meer overbrengen in Moskou, waar in oktober Strelka wordt geopend. Het is een nieuwe post-academische opleiding, waar OMA en zijn researchtak AMO een sterk stempel op drukken.
Maar is OMA niet zelf een onderdeel van de cultuur die Koolhaas bekritiseert? ‘Natuurlijk doet iedere architect per definitie mee, dat is architectuur, meedoen, deelnemen. Maar helaas zijn twee zaken chronisch onzichtbaar als het om OMA gaat. Dat zijn ons gevoel voor humor, die we ook in ‘Preservation’ hebben gelegd, en onze kritiek. We hebben in de ‘Harvard Guide to Shopping’ een zeer kritische analyse gegeven van het fenomeen shopping. Ons onbehagen hebben we altijd bijzonder beslist geformuleerd.’
|